Blog Tekst Superfly

Allereerst: excuses, trouwe lezers. Ik kwam gisteren wat lieve vrienden tegen in de gloednieuwe kaaswinkel van een van die vrienden (die mij trouwens heel vaak uit de brand heeft geholpen in drukke tijden en gisteren kon ik eindelijk wat terug doen! Ik heb een waar kaaspakket ingepakt. Echt vrouwenwerk en ik voelde me ontzettend nuttig) – waar was ik? O ja. Die vrienden begonnen dus totaal uit het niets over mijn blog. Leuk dat iemand het überhaupt leest, maar wat me vooral intrigeerde was dat iedereen nogal kwaad was over het feit dat ik vorige week geen blog heb afgeleverd. Sorry, dus. Eigenlijk wilde ik deze week ook overslaan, maar ik ben overtuigd. En dus schrijf ik op zaterdagavond – onder het genot van een matig potje voetbal – mijn derde blog.

Om in de voetbalsferen te blijven – ik ben nu eenmaal vreselijk fan en het gaat in mijn hoofd en in de gesprekken die ik voer nogal vaak over voetbal, dus het was onvermijdelijk dat ik er ooit over zou beginnen – hierbij een verhaal over voetbal. Vandaag is de eerste keer en ik weet zeker dat ik jullie nog vaker met die onderwerp ga vermoeien. Daarom leg ik niet gelijk al mijn kaarten op tafel en begin ik met een vernuftige invalshoek: de voetbalschoen.

Of het altijd zo’n veelbesproken onderwerp is geweest weet ik niet, maar de laatste tijd wordt er gewoon best wel veel over de voetbalschoen gepraat. Laatst nog liet Premier League hoogvlieger Chelsea via de media weten dat het geen gekleurde schoenen meer tolereert onder de jongste voetballertjes in de jeugdopleiding. Een moedig besluit en ik kan echt beamen dat de zwarte voetbalschoen nog altijd de meeste uitstraling heeft, maar met fabrikanten die er alles aan doen om de aandacht van de consument te winnen, is het moeilijk om principieel te blijven. En zo bezweek ik aan de schoen met het sokje, of om in officiële termen te blijven: de Nike Mercurial Superfly. Nou, Superfly, dat bleek een beetje overdreven.

Het begon allemaal zo goed. Op een zonnige zaterdagmiddag in september liep ik lekker zelfverzekerd de voetbalshop binnen. Een mooie winkel, een van de betere, vond ik zelf. Direct liep ik naar het achterste deel van de winkel. Na zo’n twaalf jaar voetbalschoenen te hebben gekocht weet je op zich wel waar de kinderafdeling zich bevindt. Ik heb maat 36 en daar heb ik mee leren leven. Wat je waarschijnlijk ook wel weet als je een beetje inzicht in de wereld van voetbalschoenen hebt (zo niet, dan maak je je maar even een voorstelling), is dat de echte goede schoenen, het summum, de top of the bill, zo rond de driehonderd euro kosten. Mijn schoenen hebben nooit meer dan veertig euro gekost. “Lekker toch?” Hoor ik jullie denken. Dacht ik ook, de eerste paar jaren. Maar op een gegeven moment gaat het aan je vreten. Die kinderschoentjes zijn het gewoon net niet en het knaagt dat iedereen met een normale maat schoenen er gewoon net wat flitsender uit ziet. Op die bewuste zaterdagmiddag zag ik kans om voor een keer net zo flitsend te zijn als al die anderen.

HONDERDVIJFTIG EURO. Ja, je leest het goed: HONDERDVIJFTIG EURO kostten ze. De Nike Mercurial Superfly. Zwart (hoe kom ik aan het geluk?) met een roze Nike teken (stoer en toch vrouwelijk, yay!). Met een sokje. “Mevrouw, we hebben precies uw maat nog.’’ Naaa, dit is echt mijn dag! Eindelijk dure, flitsende schoenen, zwart met roze en ook nog in mijn maat!! “Wat zitten ze heerlijk! Jeetje, ja je komt er even moeilijk in, maar als het eenmaal zit, potjandorie, fantastisch! Het zijn net sloffen! Kijk eens schatje, wat denk jij? Doen he? Ik moet ze doen he? Ja, ik doe ze. Reken maar af!” Pats. Honderdvijftig euro lichter. Maar trots dat ik was!

 Zondagochtend. Matchday. Ik twijfelde die ochtend geen seconde. Ik zou mijn nieuwe schoenen meteen aan doen. Wat een gelul eerst inlopen, ze zaten toch als pantoffels? Mij kon niks gebeuren.

Nog geen uur later stonden de tranen in mijn ogen en vroeg ik een van de wisselspelers om als-je-blieft blaarplijsters uit de kleedkamer te halen. “GA HULP HALEN!!!” Dat zei ik niet, maar zo voelde het. Hulpeloos. De pijn was ondraaglijk.

Sommigen zeiden dat het mijn eigen schuld was. “Wij pisten er vroeger altijd in!” riep mijn vader. “Natte kranten erin, had ik nooit geen last!” Ja, pa. Allereerst, grose. En ten tweede: dat was in de tijd van ‘leren knikkers’en ‘kicksen’ en houten scheenbeschermers. Ofzo. En leren schoenen. Vandaag de dag zijn alle schoenen van plastic. Of ze nu 35 of 135 euro kosten. Kranten, nat maken, piesen, het heeft allemaal geen zin. Maar ik verdomde het om mijn schoenen na het eerste obstakel af te wijzen. HONDERDVIJFTIG EURO HEBBEN ZE GEKOST! Geen haar op mijn hoofd die er aan dacht om die sokkenschoenen achterin de kast te flikkeren. O God nee. En dus plakte ik training na training en wedstrijd na wedstrijd drie miljoen lagen tape en blaarpleisters op mijn hielen met onhandige scharen en ander gereedschap dat totaal niet werkt op het moment dat je snel die onhandige schoenen aan moet doen vlak voor een wedstrijd in een overvolle kleedkamer. Mijn teamgenoten hebben echt een hele leuke paar weken gehad. En ik wist achteraf precies waarom de schijnheilige verkoper precies mijn maat nog had.

Gelukkig voor mij eindigt dit dramatische verhaal in een happy end. Voor het verhaal was het leuk geweest als mijn voeten uiteindelijk geamputeerd moesten worden door de vele blaren voor een paar schoenen van honderdvijftig euro, maar niets is minder waar. Afgelopen training had ik nog maar een pleister op mijn linker hak en bijna geen pijn na afloop. Ik heb er nog niet mee gescoord maar ik heb het idee dat, na alles wat we samen hebben meegemaakt, dit de figuurlijke gouden schoenen gaan worden.